Je stoel gaat ooit stuk. Logisch, iedere stoel gaat ooit stuk. Het rare is wat er daarna met hem gebeurt. Steeds meer meubelmerken halen die kapotte stoel niet op om hem te verbranden, maar om hem te versnipperen en er een nieuw tafelblad van te persen. Geen marketingverhaal voor de bühne, maar een systeem dat nu daadwerkelijk draait, van grote meubelfabrikanten tot kleine Nederlandse interieurbouwers.
Van grofvuil naar grondstof
Tot een paar jaar geleden eindigde een versleten bank bij het grofvuil en daarna meestal in de verbrandingsoven. Steeds meer merken draaien dat nu om. Vitra heeft inmiddels eigen Circle Stores, winkels waar gebruikte meubels een tweede leven krijgen in plaats van bij het afval te belanden. Klanten leveren een oud stuk in, het merk knapt het op of haalt de bruikbare onderdelen eruit, en het stuk komt terug de markt op, soms als tweedehands exemplaar, soms als grondstof voor iets compleet nieuws. Het is geen pr-stunt, maar een vaste afdeling binnen het bedrijf, met eigen winkels en een eigen inkoopproces voor oude meubels.
Diezelfde gedachte zie je terug bij vintage meubels uit de kringloop: een stuk hout of metaal dat al dertig jaar meegaat, hoeft niet vervangen te worden door iets nieuws. Het verschil is dat grote merken die kringloopfunctie nu zelf organiseren, in plaats van het aan de tweedehandsmarkt over te laten. Wie zijn oude bank inlevert bij de winkel waar hij hem ooit kocht, hoeft niet meer zelf op Marktplaats naar een koper te zoeken.
Geen lijm, geen vaste schroeven
Het probleem met de meeste oude meubels is dat ze niet te scheiden zijn. Een bank is vaak een kluwen van schuim, lijm, stof en metaal die onmogelijk los van elkaar te krijgen is, dus eindigt het geheel in de verbrandingsoven, ondanks dat losse onderdelen prima herbruikbaar zouden zijn. Interieurbouwer Fiction Factory ontwerpt daarom constructies die je ooit volledig uit elkaar kunt halen: onderdelen die vastklikken of vastgeschroefd zitten in plaats van vastgelijmd. Zo vervang je een kapot paneel zonder de rest weg te gooien, en kan het bedrijf oude onderdelen op termijn terugnemen en opnieuw inzetten in een volgend project.
Deze aanpak, in de designwereld "design for disassembly" genoemd, klinkt technisch maar is in de praktijk vooral een kwestie van andere keuzes bij de constructie: schroeven in plaats van lijm, losse bekleding in plaats van vastgeniet textiel, mono-materiaal in plaats van een onscheidbare mix. Het sluit aan bij wat je ook ziet bij wandpanelen van oude spijkerbroeken: materiaal dat ergens anders zijn waarde al bewezen heeft, krijgt een tweede functie in plaats van dat het wordt afgedankt.
Jouw oude stoel wordt letterlijk een tafelblad
Bij kunststof meubels gaat het nog een stap verder. Oude plastic stoelen worden vermalen tot kleine korrels, die vervolgens onder hitte en druk tot een compleet nieuw tafelblad worden geperst. Er bestaan ook stoelen die voor honderd procent uit gerecyclede PET-flessen zijn gemaakt, het soort flessen dat anders bij het plastic afval verdwijnt. Voor één stoel gaan er al snel tientallen flessen doorheen. Het resultaat is geen inferieure "eco-versie" van het origineel: de stoel ziet er net zo stevig en strak uit als een nieuw exemplaar, alleen begon hij zijn leven als verpakking in plaats van als ruwe olie.
Dat materiaal hoeft trouwens niet per se plastic te zijn. Merken experimenteren inmiddels met allerlei herkomst, van meubels die uit schimmeldraad groeien tot panelen van landbouwafval zoals rijststro of hennepvezel. De gemene deler is steeds dat iets wat vroeger als afval gold, nu als grondstof wordt behandeld, en dat verandert de hele manier waarop een merk naar zijn eigen productie kijkt.
Waarom dit nu pas serieus op gang komt
Deze aanpak bestond al langer in kleine hoeken van de designwereld, maar schaalt nu pas echt op. Daar zit regelgeving achter: de Ecodesign for Sustainable Products Regulation van de EU verplicht fabrikanten stapsgewijs om producten te maken die je kunt repareren, uit elkaar halen en recyclen, in plaats van producten die na een paar jaar gewoon worden weggegooid. Die verordening geldt uiteindelijk voor bijna alle fysieke producten op de Europese markt, meubels inclusief, en dwingt fabrikanten om nu al vooruit te plannen.
Grondstoffen worden daarnaast gewoon duurder, waardoor het voor merken ook financieel aantrekkelijker wordt om oud materiaal terug te winnen in plaats van steeds nieuw hout, metaal en kunststof in te kopen. Tel daar de klant bij op die steeds vaker vraagt waar een meubel vandaan komt en wat ermee gebeurt als het kapot is, en je snapt waarom dit geen randverschijnsel meer is, maar een vaste eis in de catalogus van grote meubelmerken.
Waar je op kunt letten bij je volgende meubelaankoop
Wil je hier zelf iets mee, let dan op een paar dingen in de winkel of op de productpagina:
- Vraag of een merk een terugnameregeling heeft: krijg je korting, een voucher of een recyclingdienst als je het oude stuk inlevert?
- Kijk of een meubel uit één hoofdmateriaal bestaat in plaats van een mix die nooit meer te scheiden is.
- Check of onderdelen vastgeschroefd of vastgeklikt zitten in plaats van vastgelijmd, dat bepaalt of iets ooit nog uit elkaar te halen is.
- Zoek naar het percentage gerecycled materiaal, veel merken zetten dat nu gewoon op het etiket.
Dat is vaak het verschil tussen een stoel die ooit opnieuw gebruikt kan worden en een stoel die rechtstreeks de verbrandingsoven in gaat. Wie dat soort meubels in huis zet, geeft zijn eigen afval straks letterlijk een nieuw leven, zonder dat het zelfs opvalt dat de tafel waaraan hij eet ooit een stapel versleten stoelen was.